Broeipakeffect

Vroeger waren motorrijders in hotels even welkom als een vlooienplaag, paalrot of een Engelse rockband. 'Oh, daar gaan mijn meubeltjes en mijn gasten', zag je ze denken bij de receptie. Met een vroom hoofd zeiden ze dat alle kamers helaas waren bezet en verwezen ze je door naar een zeemanspensionaat of naar hun grootste vijand.

Dat is veranderd. De meeste hotels hebben ontdekt dat er op de woeste snelheidsmonsters steeds vaker goedmoedige, goedbetalende grijsaards zitten, die nog maar zelden gaten in de lakens branden, de gordijnen van de muur rukken, het tapijt onderkotsen of in het ligbad pissen. En ze plakken niet meer viezigheid onder de bedrand dan de gemiddelde bezitter van een Sports Utility Vehicle.

Zelfs in de betere hotels zijn motorrijders van harte welkom. Maar sommige hebben daar intussen flink spijt van gekregen. Dat is vooral te wijten aan mij en mijn maat. Zonder boze opzet hebben we het goede imago van motorrijders een zware slag toegebracht. Dat is gebeurd tijdens onze wintertochten van de laatste jaren naar de Atlantische kusten van Frankrijk, Engeland en Ierland.

Omdat we lang in de regen reden en het soms toch wat warmer was dan verwacht, ontstond er een soort broeipakeffect. Met name op de plekken waar we toen nog normale katoenen onderkleding droegen. Hoe het precies werkt, weet ik niet. Hoe schimmelkaas wordt gemaakt, weet ik ook niet, maar het rook hetzelfde.

Onderweg merkte ik al iets. Ik keek dan zoekend om me heen, omdat ik een vuilnisbelt meende te ruiken. Maar pas op het moment dat ik in het hotel mijn jas open ritste en een warme walm voelde ontsnappen, besefte ik dat ik het zelf was. Dat de receptioniste stond te wankelen en dat andere gasten onder hun schoenen keken, gaf ook al iets aan.

In de kamers hingen we alles te drogen, namen een douche en gingen we in een gewone kleding naar beneden. Bij terugkomst rook je het al op de gang en zag je bijna een groengele damp onder de deur vandaan kruipen.

De grootste boosdoeners waren mijn laarzen. Omdat mijn motorlaarzen te koud waren voor de winter, had ik Canadese poollaarzen aangetrokken. Er zat een centimeters dikke viltlaag in, die minstens een liter zweetsokextract kon absorberen. En dat moest allemaal verdampen op de hotelkamer. Meer dan eens merkten we dat het personeel overal de ramen en deuren had opengezet. En een keer wees een Engelse hotelmanager ons erop dat roken niet was toegestaan. We legden uit dat we niet hadden gerookt, maar dat we wel twintig schapen op de kamer hadden. 'Dat verklaart een hoop' kaatste hij terug. 'Maar zou u ze dan alstublieft in bad willen stoppen?'

Geen van de hotels stelde er prijs op in Promotor genoemd te worden. Maar dat is overigens geen reden om 's winters niet naar de Atlantische kusten te gaan, want juist dan zijn ze onvergetelijk wild en sfeervol. Het is wel een reden om écht goede onderkleding te kopen. En een pak geurvreters.

Jan Dirk Onrust