Nee, voor lange afstanden is motorrijden niet echt de comfortabelste vorm van vervoer. Rugpijn, lamme handen, zere knieën en een kont als van een baviaan heb je al snel als je flink doorkachelt. Oké, als je het verstandige advies opvolgt om per twee uur een kwartier te stoppen, is er niets aan de hand. Maar verstandige adviezen zijn aan een ander soort mensen besteed. Aan brave borsten die appeltjes eten, meedoen aan Avro's ochtendgymnastiek en reizen met de trein.
Motorrijden heeft met verstandigheid niet veel te maken. Vooral niet als je met een paar maten op pad bent. Dan spelen heel andere zaken een rol. En die komen kort gezegd hierop neer: wie het eerst wil stoppen, is een mietje, een wijf. Een echte motorrijder geeft nog liever toe dat hij in tranen uitbarstte bij The Sound of Music. Dus je rijdt door, want je moet verder.
Toeristische routes over bochtige weggetjes zijn het ergst. De snelheid en het verbruik zijn dan zo laag, dat je met een beetje serieuze tank makkelijk 400 km haalt. Je kunt dus zes uur achter elkaar doorrijden. Onverstandige mensen, zoals wij, doen dat dan ook. Maar al na twee uur schreeuwt je bloed om nicotine, is het comfortzadel in een spijkerbed veranderd en zijn je vingers te gevoelloos om het hevig jeukende scrotum te krabben. Maar je stopt niet, want je moet door.
IJlend maak je jezelf wijs dat het ergens goed voor is: voor je mentale hardheid, voor je zelfrespect, voor het vergroten van je blaas. Maar op een zeker moment houden de pijntjes op. Het is alsof je lichaam zegt: 'Bekijk het maar, ik waarschuw niet langer.' Je raakt dan in een niet onprettige trance. Het wordt stil om je heen. Je geniet weer. En je hebt het reactievermogen van een olietanker. Er moet nu geen truck met oplegger oversteken, want dan kunnen ze bij de familieberichten zetten:
Hij wilde dwars door een vrachtwagen rijden. Hij kwam halverwege.
Zonder overstekend verkeer, hou je dat gevoel een uur of twee vast. Daarna doet je lichaam nog een laatste beroep op je verstand door alle ellende verhevigt terug te laten keren. Bonkende pijn, schrijnende jeuk, dode vingers. Eindelijk komt er enige ruimte voor zelfkritiek: Had ik maar dikkere kleding aangetrokken! Was ik maar eerder gestopt! Had ik mijn kont maar beter afgeveegd!
Maar dat komt meestal op het moment dat je met een vrijwel lege tank de asfaltoase, het tankstation, in het zicht krijgt. Daar gooi je 24 liter in de tank en leeg je vijf minuten lang ononderbroken de blaas. De sigaret die je opsteekt, brengt je aan het wankelen. Vervolgens val je in een korte, diepe slaap op een picknickbank. Na een uur ben je op weg naar het volgende tankstation.
Dat schiet dus niet op. Maar dat maakt niet uit. Je kunt jezelf onder ogen blijven zien, want je bent niet voortijdig afgestapt.
Hoelang je dat volhoudt? Naar Rusland ging het van de zomer drie weken goed. Toen kwamen doktoren erachter dat het doorrijden en negeren van alle ongemakken bij mijn maat had geleid tot een trombosebeen en bij mij tot een longontsteking. Na een operatie en een hoop pillen, moesten we op de terugweg om het uur stoppen. Doktersvoorschrift.
Wij blijven ondertussen stug ontkennen dat we slappelingen zijn. Ons lichaam, ja. Dat is een mietje. Niet wij.
Jan Dirk Onrust
Het verhaal over de hel van Murmansk vind je hier.