Meestal reis ik alleen. Of dat niet eenzaam is, wordt me wel eens gevraagd. Nee. Als je alleen bent, raak je sneller aan de praat met buitenstaanders dan wanneer je in een groep rijdt. Doorgaans zijn de gesprekpartners oude mannetjes op een bankje, de dorpsgek of een zwerfhond, maar dat maakt niet uit. En als je op een parkeerplaats in de regen staat te vernikkelen is er altijd nog wel een Nederlands caravanechtpaar dat je een biscuitje toewerpt en vanuit de deuropening een praatje over het weer begint.
Echte eenzaamheid voel ik pas als ik iets moois zie: een ommuurde Spaanse stad, een IJsselmeerdijkje in de zon, een Noorse hoogvlakte of een Alpencol. Vanonder mijn potje mompel ik dan onophoudelijk 'tjongejongejonge, ongelooflijk, wat óngelooflijk mooi!' Van enthousiasme lopen koude rillingen over mijn rug, springen tranen in mijn ogen en dank ik God op mijn blote knieën voor zoveel schoonheid. Maar dan heb je dus niemand om dat tegen te vertellen. Gelukkig biedt het mobieltje uitkomst.
'Hoi, met mij. Ik sta nu bovenop een berg en het uitzicht en het licht, alles, is om gek van te worden,' riep ik laatst met overslaande stem tegen mijn motormaat Domper. 'Zo fantastisch, zo weergaloos, zo.'
'Kun je straks misschien even terugbellen?' vroeg Domper. 'We zitten net naar een documentaire over Rachel Hazes te kijken.'
Stelletje Volkskranten daar. Ik probeerde mijn enthousiasme vast te houden en draaide het nummer van een andere maat. 'Ha, Zeikstraal, ik bel je vanaf een heel erg mooie hoge berg!'
'Ik ben over een hogere berg gegaan,' zei Zeikstraal met nasale stem.
'Je weet niet eens waar ik ben, Zeikstraal', zei ik. 'Ik sta op de Col de la Bonette, de hoogste pas van Europa.'
'Oh, daar ben ik ook geweest, maar dan vaker en het weer was beter', zei Zeikstraal. 'Maar ik vind de Grebbenberg mooier.'
'Waarom ben je hier dan zo vaak geweest?' vroeg ik.
Even hoorde ik het geluid van knarsende tanden.
'Je denkt dat je beter bent dan ik, hè', riep Zeikstraal uit.
'Iedereen denkt dat ie beter is dan jij, Zeikstraal. Maar daar gaat het nu niet om.'
'Hoe lang deed je erover om op de top te komen?' vroeg Zeikstraal fel.
'Een half uurtje, denk ik.'
'Een half uur!? Watje. Ik deed hem in twintig minuten. Had je verder nog nieuws?'
'Ja. Ik heb zojuist de Nobelprijs gewonnen.'
'Daar moet je heel veel belasting over betalen.'
'Daar was ik al bang voor,' zei ik.
Ik hing op en voelde me doodmoe. Je moet ook niet naar Zoetermeer of Ypenburg bellen als je vol enthousiasme bovenop een mooie bergpas staat, bedacht ik. Vuur en vlam weten ze daar in tien seconden vakkundig uit te pissen. Je kunt beter wachten tot het regent, tot je valt en halfdood in het ravijn ligt. Dan verlopen gesprekken met het thuisfront waarschijnlijk een stuk soepeler.
Jan Dirk Onrust