Het was een hectisch dagje toen ik door de stad reed. Het begon al in de buitenwijk, waar een aantal auto’s in lichterlaaie stond. In de buurt hing een groep jongeren die de toegesnelde brandweer met stenen bekogelde en riep dat het oorlog was.
Vanachter een cordon ME’ers sprak een gemeenteraadslid opgewekt een tv-journalist toe. ‘Ach, dat bedoelen die jongens niet zo, hoor. Eigenlijk willen ze een buurthuis en subsidie. En tien auto’s, dat zijn er toch al weer vijf minder dan gisteren!'
Ik reed door en zag weer tv-ploeg, nu van een misdaadprogramma. Ze filmden een portiek waar een bende tienjarigen een negenjarige had misbruikt. Een verontwaardigde wethouder probeerde de opnamen te voorkomen. ‘Weet u wel dat dit heel stigmatiserend werkt?’ gilde de politica. ‘Het gaat juist zo goed met ons samenhangend hangjongerenbeleid, maar als u dit uitzendt, verpest u alles.’
Ik passeerde enkele brandende politiebureaus en zag een straat die was afgezet door de Mobiele Eenheid. Sluipschutters lagen op de daken, erboven cirkelden helikopters. Het luchtruim van de stad was gesloten voor alle vliegverkeer.
Even verderop lag weer iemand op straat. Een lid van een politieke partij, toevallig in de buurt zeker, voelde de pols van het slachtoffer. Met zijn andere hand hield hij zijn mobieltje tegen zijn oor. ‘Weer iemand met een mening, denk ik. Waarschuw snel Job, want er zijn tv-ploegen in de buurt. Dan kan hij alvast wat zeggen over vrijheid van meningsuiting en zo, anders gaat een andere partij ermee aan de haal.’
Op de stoep van de rechtbank sprak een triomfantelijk lachende advocaat met een cadeau in zijn hand een groepje journalisten toe. ‘Ja, mijn cliënt is zojuist vrijgesproken,’ zei hij. ‘Daarom heb ik een aardigheidje voor hem gekocht. Een doos ‘Scheikunde voor de Jeugd’. Hij houdt namelijk erg van knutselen met chemicaliën. Een terrorist? Laten we niet overdrijven. Het centrum van de stad staat er toch nog steeds? Nou dan!’
In de chique buurt was het rustiger. Maar daar stonden dan ook overal mobiele politieposten op de stoep. Daartussen waren internationale verhuizers aan het inladen. Op het plein erachter stond een tent op straat waar mannen in witte overalls een sporenonderzoek deden voor weer een ander lijk. Elders op het plein lagen bloemen en beertjes, en was men zojuist aan een stille tocht begonnen. In de verte zag ik rookpluimen en klonk het luchtalarm.
Wegwezen hier, dacht ik en ik reed de rondweg op. Daar werd ik onmiddellijk aan de kant gezet door twee agenten in een Golfje.
‘Dat mag niet, hè?’ zei de een.
‘U reed 100 in zijn 3,’ verklaarde de ander. ‘Maar dit is een 80-kilometerzone. Die is er gekomen om het leefklimaat in de stad te verbeteren. Hiero, heppu een foldertje derover.’
‘Ja, hardrijden is zooo slecht voor de lucht,’ zei de eerste. ‘En het maakt zo’n herrie, hè?’
Jan Dirk Onrust