Legendarisch motorongeluk

Het was mijn eigen schuld. Even een moment van onoplettendheid en flatsj! daar ging ik. De schade viel mee. Stuur verbogen, deuk in de tank, uitlaat bekrast. Zelf hield ik er een pijnlijke knie aan over. Geef het wat rust, zei de dokter en hij schreef me een kruk voor.

Ik dus een weekje hinkepotend over straat. En dan merk je al snel dat een motorongeluk een zekere status heeft. Vrouwen drukken je tegen de borst, mannen worden onderdanig. Als je in de badkamer uitglijdt, van de keukentrap valt of een auto ergens tegenaan rijdt, ben je een kluns. Dat zijn oudewijvenongelukken. Maar wie op motor een uitglijder maakt, heeft iets ondeugends gedaan of zelfs het noodlot uitgedaagd. Dat grenst aan heldhaftigheid.

Motorrijders zijn dan ook trots op hun gestuntel, ondanks alle bijkomende narigheid. De paradox is dat je pas een motorrijder bent als je van je motor bent gevallen. Lees de internetforums en de nieuwsgroepen er maar op na. Beginners scheppen op over hun eerste schuiver als een puber die zijn maagdelijkheid is kwijtgeraakt. De echte helden zijn de ervaren jongens die met bouten en moeren bij elkaar worden gehouden. Zij babbelen vrolijk over de douanepoortjes op het vliegveld die aanslaan als ze er doorheen lopen.

Maar ik voelde geen trots. Schaamte des te meer. Over de toedracht wilde ik zo weinig mogelijk over kwijt. Dat werkte averechts. "Zeker iets te hard gereden," vroeg een buurmeisje schalks. Nee, zei ik naar waarheid. Maar ze beluisterde er een ironische ondertoon in die er niet was en dacht dat ik minstens met 120 uit een bocht was gevlogen. Er kwam een geruchtenstroompje op gang, de ene na de andere buur kwam een praatje maken. Hoe meer ik verzweeg, hoe meer onverschrokkenheid erbij werd gefantaseerd. Ik zou veel geluk hebben gehad. Iemand vroeg zelfs of ik mijn leven nog voorbij zag komen tijdens de val.

Als je maar zwijgt, gaat zoiets snel een eigen leven leiden. Dat zag ik in een documentaire over wat 'Het Beroemdste Motorongeluk uit de Rockgeschiedenis' heet: de crash van Bob Dylan in juni 1966. Nadat hij in Woodstock van zijn Triumph was gestuiterd, sloot hij zich achttien maanden af van de buitenwereld om te herstellen. Kranten hadden het over een hersenschudding, kneuzingen, gebroken nekwervels en beschadigingen aan de schedel en het gelaat. Anderen concludeerden uit zijn afwezigheid dat hij verlamd was of zelfs dood. Het enige wat Dylan na zijn terugkeer ooit over het ongeluk heeft gezegd is dat hij dacht dat het achterwiel blokkeerde en dat hij daardoor de controle verloor. "Mijn gezicht lag open en mijn nek kreeg een harde klap. Ik zag mijn leven voor me passeren. Dat ik eroverheen ben gekomen, is behoorlijk wonderlijk."

Zijn vrienden hebben altijd gezwegen over Het Legendarische Motorongeluk. Op een na. Die vertelde dat de zanger viel toen hij de Triumph, die lege banden had, over een grindpad duwde. Hij zat er niet op, maar liep ernaast. Hij bloedde niet, heeft nooit in het ziekenhuis gelegen, maar ging naar een huisarts. Verder schaamde hij zich rot en hij had vooral genoeg van de druk van fans en de muziekindustrie.

Nu dit is gezegd, kan ik wat makkelijker vertellen over de oorzaak van mijn motorongeluk. Ik kan zeggen dat ik aanvankelijk 120 reed, dat ik bij een tankstation een flauwe afslag naar rechts nam, dat het vrij druk was en dat het regende. Maar eigenlijk komt het hierop neer dat ik bij het tanken mijn rechtervoet aan de grond zette en uitgleed over een dieselplek. En daar ging ik. Just like a rolling stone. Ik lag letterlijk in de goot, met mijn motor bovenop me.

Een bejaarde man heeft me nog overeind geholpen. Zijn vrouw deelde een standje uit aan een gozer met een Golf die schaterlachend stond toe te kijken. Veel groter kon de vernedering niet zijn. Een rockster kan van zijn gestuntel nog iets legendarisch maken, maar voor een gewone sukkel is dat niet weggelegd.

Jan Dirk Onrust