Zwaar overstuur bereikt De Sigaar twee uur later het hotel. Woest is hij, maar weet niet goed op wie. 'Ik ben 49, vader van twee kinderen, maar dit... dit heb ik nog nooit meegemaakt!' briest hij.
De groep negeert hem volledig en gaat naar de bar om de eerste margarita's te bestellen. De oude Reutel verrast ons door gearmd met een jonge Mexicaanse binnen te komen, die hij nog kende van vroeger. 'Goh, wat is de wereld klein,' zegt Kever. De sarcastische ondertoon intereseert Reutel niets.
Terug in het hotel ontdek ik een bloedspoor dat van mijn kamer naar het zwembad loopt. Welkom in Baja.
feesten en beesten
De morgenzon maakt alles onschuldiger. Zeeleeuwen stoeien in de haven, vlak voor het hotel snoeien gemeentewerkers een bloemperkje en de bloeddruppels blijken rode verfspatten te zijn. Ensenada lijkt een redelijk nette en welvarende stad. De poel des verderfs is grotendeels aan ons voorbij gegaan en zal voorlopig niet meer terugkomen ook: na Ensenada eindigt de vrije zone voor Amerikanen - het gebied waar ze zonder paspoort kunnen feesten en beesten.
Na de eerste dag heeft iedereen zijn maatje gevonden, waardoor de groep in kleine brokjes Ensenada verlaat. Samen met de Fries rijd ik de natuur in. Een bergachtige streek met opvallend veel groen. En af en toe al een paar lekkere bochtjes.
De tekenen van armoede nemen toe. Kleine huisjes, vaak met een tuin vol autowrakken, halflege winkeltjes, zwerfhonden en heel veel kinderen - meestal te dik.
Het oogt soms wat grimmig, maar de mensen zelf maken allerminst een grimmige indruk. Met onze kekke Europese motorpakken en motoren zijn we vermoedelijk vreemde snuiters, maar waar je ook stopt, klinkt een hartelijk 'hola, amigo'.
