Met roodverbrande koppen rijden we tegen het eind van de middag de Desierto del Vizcaino in, het meest verlaten stuk van Baja. Deze woestijn is minder begroeid, vlakker en eindelozer dan de vorige. De weg loopt dan ook vrijwel recht naar San Ignacio, een oase 130 km verderop. Met de laagstaande zon erbij glijden we vanzelf een trage rocksong binnen.
On a dark desert highway, cool wind in my hair.
Warm smell of colitas rising up through the air.
Ja, Baja kan relaxed zijn, maar een onheilspellende ondertoon blijft. Daar zorgen de autowrakken en vele kruizen langs de weg wel voor. Niet dat we daar echt voorzichtig van worden. Daarvoor is de weg veel te goed voor en de politie te afwezig. Dat wordt dus knallen. De groep breekt in stukken en samen met Jolink en vijf anderen rij ik een uurtje later San Ignacio binnen, een stadje in een groene oase aan een glasheldere lagune. Het is het eerste zoete water dat we tegenkomen.
De wereld is klein
Bij het terras voor het hotel zien we de eerste blonde vrouw sinds Los Angeles. Allemaal kijken we naar haar en zij kijkt naar ons. Dan roept ze haar man erbij, een grote cowboy die uit een Chevy pick-up klimt. Ze overleggen even en dan stappen ze op ons af. Terwijl we niet eens iets schunnigs hebben geroepen.