De kustweg eindigt in Carmel, waar Clint Eastwood twee jaar burgemeester was en waar veel gepensioneerde filmhelden wonen. Direct erna rijd ik Monterey binnen. Behalve het vermaarde aquarium, zijn de toppers Cannery Row en Fisherman’s Warf, twee oergezellige havenstraatjes met houten restaurants en winkels, en een zeeleeuwenkolonie die voor nog meer leven in de brouwerij zorgt.
Er zijn hier vandaag veel mensen op de been en op straat treedt een oude blueszanger op – zo goed dat de rillingen me over de rug lopen. Wat een heerlijk stadje, denk ik al na tien minuten. En nog heel beroemd ook. Hier werd in 1967 het eerste grote popfestival ter wereld gehouden. Dat was het begin van de Summer of Love en betekende de doorbraak van onbekenden als Jimi Hendrix, Buffalo Springfield en the Byrds. Met een beetje overdrijving mag je stellen dat de hippie-beweging hiervandaan de wereld veroverde. Maar dat is allang niet meer iets om te koop mee te lopen.
Devil’s slide
Voorbij Monterey kom ik op The way to San Jose, waar het verkeer zich langzaamrijdend richting Silicon Valley begeeft. Erlangs zie vele honderden Latino's die de oogst binnenhalen van de fruitteelt- en landbouwgronden. Bij de plantages staat af en toe een groepje trailers en hutjes met een paar pick-up trucks erbij, waarin de landarbeiders wonen.
Straatarm en schatrijk, zo vlak naast elkaar is voor Europese ogen een beetje wennen. Wij stoppen ongeschoolden liever weg in een achterstandswijk met een uitkering en huursubsidie. Hier moet je meedoen. Dat geeft Californie een rauwe dynamiek, een inspirerende spanning, die van LA tot San Francisco goed voelbaar is.