De CIA
Binnen, rondom de open haard van de Marina Inn, spelen muzikanten Ierse folksongs. Buiten sta ik vanwege het rookverbod met plaatselijke dissidenten een sigaretje te paffen: een Engelse, een Amerikaan en een straalbezopen Ierse visserman.
'Ik schrijf ook,' zegt de hippieachtige Engelse nadat ze me naar mijn werk heeft gevraagd. 'Soms voor de krant, maar vooral gedichten. Dit is de beste plaats ter wereld om poëzie te schrijven. Hier gaat het vanzelf. Er hangt magie in de lucht. Oscar Wilde zei dat al.'
'Pffrrrrrrt,' zegt de visser.
Ook de Amerikaan, een oude hippie die beweert dat de CIA hem het leven in Californië zuur maakte, blijkt te schrijven. Politieke columns voor een Californische krant.
'Iedereen in Dingle schrijft,' lalt de visser. 'Maar ik ben de enige die geld verdient.'
'Moet je niet aan het werk?' vraagt de Engelse.
'Verdomd, bijna vergeten,' antwoordt de visser. Hij waggelt naar het haventje en ploft op een kottertje dat direct de donkere nacht in vaart.
