Op de provinciale weg naar Mettmann neem ik zo'n onbeduidend weggetje. Het leidt me naar een kleine vallei waardoor de Düssel stroomt. Dit is onze eigen piepkleine heilige rivier , want hieraan leefden onze knuppelzwaaiende vrienden. Ik stap af bij een schilderachtig huisje, waarvan ik de overgordijnen onmiddellijk zie bewegen. Als ik mijn camera tevoorschijn haal, hoor ik achter me een oude mannenstem: 'Na, und? Wat is hier de bedoeling van?'
Foto machen, zeg ik.
'Dat kan verderop veel beter,' snauwt hij.
Door deze opmerking is de Neanderthaler in me onmiddellijk gewekt. 'Dat bepaal ik zelf wel, zeikerd', hoor ik mezelf zeggen.
'Grumpff' zegt de man en smijt zijn deur dicht. Ik krijg nu veel zin een rotsblok door zijn ruit te keilen. Maar dan besef ik dat de oude hork wellicht een echte Neanderthaler is. Tevreden over de prettige kennismaking rij ik naar het plaats waar het allemaal begon.

Looft den Heer

Mettmann is een aardig stadje met 40.000 inwoners. In de 1100 jaar dat het bestaat, haalde het de geschiedenisboeken zelden. Maar het kleine dal ten zuiden van het stadje liet de wetenschappelijke wereld anderhalve eeuw geleden op zijn grondvesten schudden.

Volgens de evangelische dichter Joachim Neander was het dal met zijn steile wanden, dichte begroeiing en kabbelende riviertje de mooiste, meest romantische plek van Duitsland. Hij kwam er zo vaak om inspiratie op te doen voor zijn kerkgezangen (zoals 'Looft den Heer') dat het dal naar hem werd vernoemd. Dat hier een dode bruut lag te wachten om de godsdienstige kijk op de oorsprong van de mens een flinke slag toe te brengen, kon hij niet weten.

< 3/8 >