Uch uch uch
Het begon in 1856 toen werklui hier tijdens een afgraving een aantal korte botten en een dikke, brede schedel met een laag voorhoofd vonden. Het leken menselijke resten, maar toch ook weer niet. Van André Hazes hadden de arbeiders nog niet gehoord en de evolutietheorie was nog niet bedacht. Ze besloten de botten aan de plaatselijke natuurkundeleraar te geven. Dat was het begin van een lange reeks speculaties. 'Het is een Mongoolse paardrijder, die niet meer dan 'uch, uch, uch' kon zeggen', zei de een. 'Zo lomp en lelijk? Het is vast een oude Hollander', dacht een Duitse geleerde. 'Veel kracht, weinig verstand? Het moet een Engelsman zijn!', meende een Franse wetenschapper.
Een aap met een motorfiets
Geen van de veronderstellingen zaagde aan de poten van het scheppingsverhaal. De evolutietheorie van Charles Darwin uit 1859 deed dat wel. Hij werd hierom vervloekt en belachelijk gemaakt, maar overtuigende bewijzen stapelden zich op. Het skelet uit het Neanderthal was er één van. Vijf jaar later bestempelde de Ierse geoloog William King de vondst tot een voorvader van de moderne mens en noemde hem homo neanderthalensis.
Voorvader is inmiddels bijgesteld tot neef. Maar de strekking van de 19de-eeuwse ontdekkingen en theorieën is duidelijk: De mens is niet meer dan een aap met een motorfiets. Aangemoedigd door deze blijde boodschap rijd ik als een beest naar het Neanderthal.