Fedje

Hellisøy Fyr staat op een eigen eilandje dat een meter of honderd van Fedje ligt. Vlak voordat we aan land gaan zoekt Jostein naar een plek in het water. ‘Ja, hier is ie!’ Op vier meter afstand zie ik vlak onder de waterspiegel de mast van een schip. ‘Een coaster. Vorig najaar tijdens een storm op de rotsen gelopen.’

De huisjes van Hellisøy Fyr zijn van de vuurtoren gescheiden door de diepe spelonk waarover een wiebelig bruggetje is gelegd. Zeker nu een regenbui nadert, ziet het er een stuk onheilspellender uit dan Ryvarden Fyr. Een ideale plek om met vat whisky en een stuk of vijf motormaten een weekendje te vissen, te hijsen en bij windkracht tien sterke verhalen te vertellen.

Heeft Jostein verder nog een fijne tip voor Fedje. Jazeker. ‘We hebben hier geen politie. Eens per maand komt er een agent van de vaste wal. En iedereen hier weet precies wanneer.’

Dat is goed nieuws voor de plaatselijke motorbezitters zonder rijbewijs, maar andere motorrijders kunnen er niet veel mee. De weggetjes lenen zich niet voor een partijtje blazen. Te smal, te kort, te hobbelig en dan loopt er ook nog een kudde reeen rond, die voortdurend oversteekt.

Interessanter zijn misschien wat bunkers en andere oorlogsrekwisieten die de Duitsers hier hebben achtergelaten. Of iets anders fouts: de walvisvangdingesboot met harpoengeweer die nog altijd actief is. Maar verder ligt de aantrekkingskracht vooral in het ontbreken van van alles in Fedje: het is een afgelegen eiland met eigenlijk niets, behalve de sfeer van isolement, een soort Lofoten zonder bergen.