Op weg naar Lillehammer - waar ik de bergen op ga - stop ik vaak en lang. Afwachten in wegrestaurants. Het moet er een beetje zielig uitzien, zo'n eenzame motorrijder die achter het raam wacht tot het droog wordt. Bij enkele middelbare Noorse dames roept het kennelijk verzorgingsinstincten op. Ik krijg kopjes koffie aangeboden en er wordt een plekje voor me gemaakt bij de open haard. We kleppen wat af, totdat een van de dames roept dat ik maar beter kan gaan. Het regent namelijk niet meer. Klotsend van koffie constateer ik buiten dat het wegdek zelfs al deels is opgedroogd. He, wat jammer nou.
678 schapen
Bij Lillehammer passeer ik het hoofdkantoor van de Noorse Rijkswaterstaat. Ik mijn koffer heb ik een fles tax-free whisky om mijn routeman te bedanken. Maar door mijn getreuzel heb ik er geen tijd meer voor.
Volgens mijn routeplanner kost het eerste stuk onverhard me bijna vier uur. De fles breng ik op de terugweg wel, neem ik me voor. Als ik hem tenminste heel houdt.
In Øyer, even verder, verlaat ik de E6 en rijd over een haarspeldbochtweggetje naar de hoogvlakte, de Øyerfjell. Hier beginnen mijn eerste zeventig onverharde kilometers. Maar eerst moet ik bij een afdakje tien kroon tol in een collectebus gooien. De procedure hiervoor - een envelop invullen, bonnetje pakken - lijkt me voldoende ingewikkeld om bij een eventuele controle te zeggen: ikke niet begrijp.