De Mont Ventoux is een echte motorberg. Met name de lagere delen hebben ongelooflijk lekker, bochtig asfalt. Hier raak ik in een plezierige cadans met de Commando. Ik moet veel harder trekken en duwen om de bocht door te komen dan ik gewend ben, maar langzaam maar zeker overwin ik mijn schroom en krijg ik het goede gevoel te pakken.
Schudden en schokken
Aan de voet van de Mont Ventoux besluiten we van motor te wisselen. Ik krijg een BSA A65 Thunderbolt uit 1971 met het versnellingspedaal aan de rechterkant. Met zijn hoekige tank is het geen schoonheid te noemen en toch ben ik al na een paar bochten helemaal verkocht. Wat rijdt dit makkelijk, wat gaat dit fijn. Oké, met zijn trommelremmen voor en achter remt hij nog matiger dan de Commando. Toch heb ik direct het gevoel dat ik de BSA meer in de hand heb, ondanks zijn geschud en geschok. Per bocht voel ik mezelf scherper worden en krijg ik de motor platter.
Pas bij een tussenstop zie ik dat de banden een plat loopvlak hebben en van Chinese herkomst zijn. Ineens begrijp ik niet meer hoe ik zo lekker door de bochten kon gaan en daarom lukt het ook niet meer.
Pas kilometers verder is de kramp uit mijn gedachten verdwenen en durf ik weer. Even later verschalken we op de ravijnwegen een paar Harley's en een Honda. Kinderlijk blij word ik ervan. Niet alleen omdat het komisch is dat een van de motorrijders zo hevig weerstand biedt, maar vooral op omdat het een overwinning is op mijn eigen angst.