3. Passo dello Stelvio | Italië
De Passo dello Stelvio - of Stilfserjoch zoals sommigen zeggen - werd in 1826 geopend om Milaan met Wenen te verbinden. Ruim 180 jaar later is het nog altijd een van de indrukwekkendste Alpenpassen. En met 2758 m de op twee na hoogste - na de Col de la Bonnette (2802) en de Col de l'Iseran (2764).
De oostkant is de beroemdste zijde. Vanaf Prad ga je door maar liefst 48 gemarkeerde haardspeldbochten 1846 m omhoog. Met 39 bochten en een verval van 1540 m doet de prachtige westkant naar Bormio er niet veel voor onder. Veel minder bekend is de afdaling aan de noordkant: de deels onverharde Umbrailpas. Ook die is prachtig, maar de haardspeldbochten zijn zo vlijmscherp, dat auto's moeten steken om ze te halen.
Heel anders dan op de top van de meeste passen, is het bovenop de Stelvio feest. Hotels, restaurants, souvenirs en warme worsten verwelkomen dagelijks honderden of duizenden bezoekers, van wie een aanzienlijk deel een motor onder de kont heeft.
Voor de echte avonturiers is de Stelvio niet de top, maar eerder de voet van een paar heel gewaagde motorritjes. Het stukje naar de Tibet-hut (2771) zal voor weinigen een probleem zijn, ook al ga je over de rand van een diepe afgrond. Het hart voel je pas echt in de keel tijdens het onverharde tochtje naar het Ortler-haus (3030), dat begint met een helling van meer dan 30%, waarop losse stenen liggen. En veel erger nog: die moet je ook op de terugweg nemen.
Nog hoger ligt de Livrio-hutte (3174), daar vlak achter. Maar daar kom je tegenwoordig niet meer bij op de motor. De Dreisprachenspitze (2843 m), die op de Stelvio zelf ligt, is alleen geschikt voor wandelaars. En toch zag ik er 's avonds laat een crossertje naar boven gaan, dat moeite had niet achterover te vallen.
Maar ook zonder deze fratsen mag je de Stelvio een belevenis noemen. En je weet na deze topper in elk geval hoe je haarspeldochten moet rijden.