Na een uurtje of twee bereik ik Ribe, het oudste en volgens sommigen mooiste stadje (19.000 inwoners) van Denemarken. Het heeft een centrum met schilderachtige huizen, nauwe straatjes, terrasjes en een vaart met een kleine kade. Nu liggen er twee plezierjachten, maar in het begin van het vikingtijdperk was dit een voornaam vertrek- en aankomstpunt van de plunderaars die Engeland, Nederland en Frankrijk onveilig maakten.

Het lieflijke kuststadje was dus belangrijk en daarom zijn hier maar liefst twee tamelijk nieuwe vikingmusea. Ribes Vikinger en Ribe VikingeCenter. In het eerste vind je alles wat hier in de buurt is gevonden. Het tweede is een soort Asterix-dorpje dat met acteurs toont hoe de vikingen leefden. Van boogschutters tot leerlooiers, van valkeniers tot timmermannen.

'Maar waar zijn de plunderaars en verkrachters?' vraag ik mijn gids. 'Dat is misschien wat minder geschikt voor een educatief museum', grijnst hij, wijzend op de schoolklassen die er rondlopen. 'Bovendien waren de vikingen vooral agrariërs. Alleen degenen die naast de erfenis grepen, sloegen aan het reizen. Dat waren niet alleen plundertochten, er werd ook gewoon handel gedreven.'