Huisje huren

Zweden telt 100.000 meren. Twee daarvan zijn zo groot dat je ze zelfs ziet op het kaart van je zakagenda: Vänern en Vättern, respectievelijk vijf keer en ruim anderhalf keer zo groot als het IJsselmeer. De blauwe gloed van de laatste doemt na een kleine twee uur rijden op bij Jönköping - geboorteplaats van die blonde van ABBA. Het Vättern is ontstaan door een verzakking en heeft als opmerkelijke eigenschap dat het meer water afvoert dan er via de rivieren binnenstroomt. Dat betekent dat het langgerekte meer via ondergrondse waterstromen bij wordt gevoed. Kraakhelder - je kunt soms 15 meter diep kijken - koud water is het resultaat, zo schoon dat waterleidingbedrijven het nauwelijks hoeven te zuiveren.

Bij Huskvarna rijd ik de heuvels in om mijn eerste overnachtingadres op te zoeken, een stuga (huisje) van particulieren bij het dorpje Kaxholmen.

Een huisje huren gaat ongeveer zo: je belt of mailt de plaatselijke VVV. Die regelen een stuga voor je die zo groot is als je eigen huis, twee keer zoveel sfeer heeft en drie keer zo mooi ligt. De prijs valt meestal erg mee. Na aankomst maak je een praatje met de vriendelijke, wat sullige gastheer en zijn echtgenote over wie je denkt: 'Hoe heeft hij dat voor elkaar gekregen?' Daarna vraagt hij of je een pilsje komt drinken in de tuin. De nieuwsgierige Zweed wil alles over Nederland en Europa weten. Zelf doet hij namens Zweden het woord. 'We in Sweden think that.' hoor je een keer of tien. Later komt er een fles whisky of aquavit tevoorschijn. Hij vindt dat je ook eens snuff (tabak dat je op je tandvlees legt) moet proberen. Rond middernacht schrik je van een wild hert dat door de tuin rent. De morgen erop word je wakker met een spijker in de kop. En je hebt er een paar vrienden bij. Altijd doen dus, overnachten bij particulieren. Je zult nooit meer beweren dat Zweden afstandelijk zijn.